Biografie

AFKOMST

gaston met hoedIn 1800 kwamen Jacobus Franciscus Martens (1771-1843) en Joanna Carolina Van Overbeke (1769-1850), overgrootouders van Gaston zich in Zulte vestigen. Ze kwamen uit Lotenhulle, waar nu nog tegen de kerkmuur de grafsteen te zien is van Jacobus Franciscus’ ouders.

Aanvankelijk pachtte Jacobus Franciscus het ‘Goed Te Lake’, dat eigendom was van Baron Charles Limnander. De hoeve lag in de Kasteeldreef, nu Limnanderdreef, links van het kasteel. Uit een volkstelling van 1818 blijkt dat Jacobus Franciscus op dat ogenblik tien knechten en één meid in dienst had. Hij was dan ook de belangrijkste landbouwer van Zulte. Rond 1820 ging hij zich in de Kapelhoek vestigen op het ‘Hof Ter Haegen’, de huidige hoeve Van Colenberghe. Vanaf 1840 was op de hoeve ook een stokerij.

Jacobus Martens was burgemeester van Zulte tussen 1814 en 1821. Zijn gezin telde zeven kinderen. Eén zoon, Jan Martens, zou later ook burgemeester van Zulte zijn in de periodes 1830-1836 en 1839-1846.

Livinus Martens (1808-1883), grootvader van Gaston, nam de hoeve van Jacobus Franciscus over en huwde Rosalie De Cabooter. Over hem schreef Gaston Martens later: ‘Hij was een grote liefhebber van kaarten. Het is gebeurd dat hij kaartte van vrijdag tot de zondagnacht, bij zoverre dat vrouw Martens de koeier met een vers hemd naar de herberg zond’.

De vier zonen van Livinus ontpopten zich vanaf 1880 als mensen met durf en ondernemingszin. Eerst hadden ze een gezamelijke stokerij “Martens Broeders”. De zaken gingen zo goed dat ze rond 1890 elk een eigen bedrijf begonnen. De oudste Evarist, had naast zijn jeneverstokerij een bierbrouwerij. Pieter Hendrik daarentegen had naast zijn stokerij een zwingelarij met stoommachine, en richtte in 1902 een weverij op. Op 33-jarige leeftijd besliste hij de studies van rechten en notariaat aan te vatten. In 1887 werd hij notaris te Olsene. Camiel had een stokerij naast zijn woning.

Gastons vader Ernest Martens (1851-1925), de jongste van de vier, huwde Eugenie Van den Dorpe (1851-1929) uit Wortegem. Hij richtte naast zijn stokerij ook een brouwerij op. Later kwamen daar een azijnleggerij, gistfabriek en wolwasserij bij.

ZIJN JEUGD

kleinUit het huwelijk van Ernest en zijn dynamische echtgenote, kwamen acht kinderen voort. De oudste Aurèle (1881-1931) nam in 1910 het breiatelier van zijn vader over. Hij was later oprichter van “La lainière de la Lys”. Gaston was de tweede. Na hem, Michel (1884-1963), die uitbater is geweest van een wolspinnerij en een leerlooierij. Germaine (1886-1954) ging na haar huwelijk in Kortrijk wonen, maar na het overlijden van haar man keerde ze naar het ouderlijk huis terug. Paul (1888-1954) werd priester en bracht het tot kanunnik. Angèle (1890-1941) en Julienne (1893-1980) bleven ongehuwd in het geboortehuis achter. De benjamin Nestor (1894-1966) beheerde de wolwasserij “Usines lainières des Flandres”.

Michel en Nestor zijn actief geweest in de gemeentelijke politiek. Michel was kandidaat gemeenteraadslid in 1952 tegen zijn broer Nestor. Deze laatste was voordien een tijdlang schepen van Zulte.

Gaston werd geboren te Zulte op 24 april 1883. Tijdens zijn jeugd liet niets vermoeden dat hij later literaire talenten zouden hebben, want zijn schoolresultaten waren niet zo schitterend. Van de lokale school werd hij naar Deinze gestuurd en vervolgens naar het college van Tielt. Daarna zette hij zijn studies verder te Kortrijk. Tenslotte stuurden zijn ouders hem naar de Broeders van het pensionaat te Malonne nabij Namen. Omdat hij geen goede resultaten behaalde was hij verplicht enkele prijsboeken te kopen van een vriend om toch maar een goede indruk te maken thuis.

Intussen had Gaston wel toneelrolletjes gespeeld in patronageverband en kon hij viool spelen, wat nodig was bij het opluisteren van familiefeestjes.

Wanneer hij achttien was, zagen zijn ouders in dat verder studeren geen zin had en vader Ernest nam hem in het bedrijf. Gaston waste tonnen, brouwde bier, sprong te paard en ventte van herberg naar herberg zijn drank. Bij die vele bezoeken aan de volkse cafés uit de omgeving leerde hij de mensen kennen met hun deugden en gebreken en met hun sappige taal. Dit zou zijn eerste leerschool zijn voor zijn later literair werk. Hij leerde ook de gewone man liefhebben, een liefde die hij later wist te verwoorden in zijn toneelstukken.

SPORTMAN

gaston sportmanGastons grote liefhebberij was de sport in het algemeen, want hij bleek een veelzijdig atleet te zijn. Hij bokste, reed te paard en beoefende gymnastiek. Als amateur-wielrijder reed bij eens de “Ronde van België” uit. Gedurende een paar jaar was hij voetballer bij Sporting Club Kortrijk. Op het gebied van de atletiek won hij prijzen in loopnummers, kogelstoten en verspringen. Hij deed ook aan gewichtheffen en boogschieten. Verspringen was echter zijn specialiteit want hij was viermaal kampioen van België, in 1905-1906-1907 en 1908, en tot 1919 nationaal recordhouder met een sprong van 6,55 meter.

Hij trad ook regelmatig op als organisator van sportwedstrijden.

PERIODE 1910-1926

elisa-seghersOp 21 april 1910 huwde Gaston met de vijf jaar oudere Elisa Seghers uit Sinaai, dochter van een dorpsgeneesheer. Martens nam meteen de brouwerij van zijn vader over en liet de sport varen. Ze vestigden zich in een huis op de dorpsplaats en lieten een jaar nadien de prachtige ‘Villa Vogelenzang’ bouwen, gelegen langs de steenweg Gent-Kortrijk.

Toen Gaston Martens in 1909 met toneelvrienden naar Gent trok om een opvoering van ‘De lustige boer’ te gaan bekijken, zei hij na afloop van de voorstelling: ‘Dat kan ik ook’. Hij zette zich aan het werk, maar alras bleek dat hij het nog niet kon. Zijn eerste werkje was de éénakter ‘Farce Koning’ verschenen onder de schuilnaam Martens Seghers. Daarna schreef hij de novelle ‘De Held der Fransche Ronde’ door Arie Van den Heuvel tot operette bewerkt.

derbyTijdens de Eerste Wereldoorlog lag zijn brouwerij zo goed als stil. Meteen had hij tijd om zich aan toneel te wijden. Hij schreef een reeks stukken maar niet steeds met succes. Dit ontmoedigde hem, maar kunstschilder Modest Huys wist hem op te beuren, bracht hem in contact met Streuvels en Verriest, en drong erop aan zijn ‘Paus van Hagendonck’ te herwerken. Gaston nam opnieuw de pen ter hand en het stuk werd meermaals opgevoerd. Hij herleefde en schreef ‘De Zot’ dat direct succes kende. Zijn ijver werd beloond toen hij met ‘Derby’ de driejaarlijkse staatsprijs voor toneel kreeg voor de periode 1919-1921.

Het gezin Martens kreeg zes kinderen: Ernest (1911-1981), Albert (1913-1918), Helena (1915-2009), Adriana (1917-2012), Godelieve (°1920) en Magdalena (1921-1999). Allemaal in Zulte geboren.

Intussen was hij ook met heel wat kunstenaars bevriend geworden. Velen waren meermaals te gast in “Vogelenzang” zoals Stijn Streuvels, Hugo Verriest, Willem Putman, Albert Saverys, Herman Teirlynck, Jan Frabicius, Modest Huys, e.a. In het artiestenwereldje voelde hij zich meer thuis dan in zijn brouwerij. In 1922 liet hij deze gedeeltelijk over aan zijn neef Robert Martens. Wel bleef hij stille vennoot tot 1925.

Om familiale en andere redenen verliet Gaston zijn geboortedorp in het voorjaar 1926. Zijn echtgenote, die een drankprobleem had, ging terug bij haar moeder wonen en overleed in 1951 in haar ouderlijk huis te Sinaai.

BEELDHOUWER

kop bolle verbuyckOp een winterse dag in 1921 had Gaston voor zijn kinderen een sneeuwman gemaakt en meteen ontdekte hij bij zichzelf de gave van het beeldhouwen. Hij zond zijn knecht naar Deinze om er klei te halen bij vriend-beeldhouwer Antoon Van Parijs. Martens zette zich direct aan het werk.

Het eerste resultaat was het kopje van zijn vierjarig dochtertje. Zonder academische opleiding maar met de raadgevingen van Van Parijs, zette hij zijn hobby verder. Eerst in klei, maar later ook in hout en terracotta. Een van zijn bekenste beelden is zijn ‘Bolle Verbuyck’ (1922). Andere bekende beelden zijn: ‘Stijn Streuvels’, ‘Oude moeder’ (1927) en ‘Christuskop’ (1939). Toen Martens in Zuid-Frankrijk woonde had hij een tijdlang een atelier als beeldhouwer in Cannes.

IN HET ZULTSE VERENIGINGSLEVEN

058leiekerelsGaston Martens hield van het gewone volk en was er veel mee in contact. Hij was de drijvende kracht in het lokale verenigingsleven. Begin vorige eeuw speelde hijzelf mee in een toneelgroep die zich ‘Kunst Veredelt’ noemde. In 1913 stichtte hij dan toneelbond ‘De Leiekerels’, die jaarlijks met alleen mannen voor het voetlicht trad.

Voor de Eerste Wereldoorlog nam hij zelf deel aan de Zultse Firtelstoet. Na die oorlog nam hij de organisatie ervan voor zijn rekening. In 1906 werd vereniging ‘De Zultsche Geitenboeren’ opgericht. Dit was een soort verzekering tegen sterfte. In 1919 was Martens schatbewaarder van deze vereniging. Toen in 1922 in Zulte een afdeling van de ‘Bond voor Kroostrijke Gezinnen’ werd gesticht, was Gaston de eerste voorzitter. In 1924 slaagde hij er, na jaren pogingen, in om in Zulte een harmonie te stichten.

PERIODE 1926 – 1937

In het voorjaar 1926 ging Martens naar Gent wonen en schreef in die periode twee éénakters: ‘De wonderbare clown’ en ‘Zomeravond’. Enkele jaren later verhuisde hij opnieuw, deze keer naar Brussel. Daar kwam zijn ‘Modern Palace’ tot leven. In een Brussel café schreef hij in 1930 zijn beroemde ‘Paradijsvogels’, waarmee hij in 1933 de Staatsprijs voor toneel veroverde. De opvoering van het stuk te Antwerpen werd eerder koeltjes onthaald.

In 1931 woonde hij met zijn kinderen te Deurle in ‘Kasteel Ter Leye’ dat eigendom was van zijn oom notris Pieter-Hendrik Martens. Daar kwam zijn ‘Kerk van St. Elooy’ tot stand. Dit stuk vormde hij later om tot het méér bekende ‘Dorp der mirakelen’.

NAAR ZUID-FRANKRIJK

le village des miraclesOnrustig op zoek naar een idelale woonplaats, en mede onder de oorlogsdreiging, vertrok hij in 1937 naar het Zuiden van Frankrijk, waar hij in Mandelieu nabij Cannes, voor zijn zoon Ernest het domein ‘Château de la Tour’ aankocht en een perzikplantage begon. Daar schreef hij geen nieuwe toneelstukken. Wel werkte hij aan de vertaling van zijn beste werken en schreef hij artikels en kortverhalen voor diverse kranten.

Zo maakte hij van ‘Paradijsvogels’ een Franse versie. Tijdens de oorlog werden zijn fruitbomen aangetast door de luis van San José. Er kwam een delegatie van het Ministerie van Landbouw op bezoek. Zij namen ‘Les gueux au Paradis’ mee naar Parijs waar het aanvaard werd door een theaterdirecteur. Het stuk sloeg in als een bom en beleefde vierhonderd naeenvolgende opvoeringen in de Franse hoofdstad. Daarna werd het verfilmd met Fernandel en Raimu in de hoofdrollen. Vanaf 1951 beleefde ‘Le village des miracles’ een bijna even grote bijval in Parijs. Sindsdien zijn ‘Paradijsvogels’ en ‘Het dorp der mirakelen’ de wereld rondgegaan.

Na het stormachtige onthaal van ‘Paradijsvogels’ in Frankrijk, keerde het stuk naar Vlaanderen terug en heeft het hier jarenlang bij beroeps- en amateurtheaters voor de grootste kassuccessen gezorgd.

TERUGKEER NAAR VLAANDEREN

glasraamIn 1945 kreeg Martens heimwee en keerde hij naar Vlaanderen terug. Hij vestigde zich ondermeer in ‘Villa Laagland’ te Deurle. Wel bracht hij tot in 1960 de winters door bij vier van zijn kinderen die in Mandelieu en omgeving waren blijven wonen. Toch was hij het liefst in zijn geboortestreek, want in Zuid-Frankrijk was het hem ‘te blauw’. Hij wilde ook het risico niet lopen in Frankrijk begraven te worden.

Voor ‘Het Laatste Nieuws’ schreef hij in de periode 1945-1948 regelmatig een kortverhaal. Intussen werkte hij ook aan nieuwe toneelstukken.

In 1951 liet hij zijn ‘Villa Klaverke Vier’ bouwen te Deurle. Hij zou er tot het einde van zijn leven blijven wonen. Daar schreef hij ‘De clowns triomferen’, ‘Het kongres der kosters’ en ‘De blijde begraving van Klakke Verdoest’, welke alle drie door de Vlaamse Televisie werden uitgezonden.

Ook op andere terreinen bleef hij actief. Zo was hij meerdere jaren voorzitter van Sabam. Samen met Emiel Hullebroeck was hij immers stichter van Navea, de voorloper van Sabam. Gaston was ook mede-oprichter van de ‘Vereniging van Oostvlaamse Schrijvers’ in 1954.

Zijn laatste levensjaren werden versomberd door een oogkwaam, die uiteindelijk tot volledige blindheid leidde. Maar hij bleef optimist: ‘Hoe zou ik kunnen treurig zijn, ik die zovelen heb doen lachen’.

In 1962 werd hij tot ereburger benoemd van zijn geboortedorp Zulte. Dit deed hem veel plezier, want in zijn dankwoord zei hij: ‘Moest men mij het ereburgerschap aangeboden hebben van Brugge, Gent of zelfs Brussel, ik zou geantwoord hebben: We gaan er nog een beetje mee wachten! Maar voor Zulte was ik direct content en het heeft mij veel genoegen gedaan’. Een jaar later kreeg Martens van Minister van Cultuur Van Elslande volgend telegram: ‘Ik wens u van harte geluk bij uw tachtigste verjaardag en deel u met vreugde mede dat Z. M. de koning u benoemd heeft tot Kommandeur in de Orde van Leopold II’.

Een heupbeenbreuk ten gevolge van een ongelukkige val in zijn woning, enkele dagen voor zijn vierentachtigste verjaardag, werd hem fataal. Drie weken na zijn opname in het ziekenhuis van Deinze, op 10 mei 1967, overleed Gaston Martens. Zijn laatste woorden waren: ‘Ik leef nog’. Vele vrienden woonden de uitvaart bij. Hij werd te Deurle begraven in de schaduw van het kerkje, waar nog zovele andere kunstenaars rusten zoals Leon en Gustaaf De Smet, Albert Claeys, Xaveer Decock en Jenny Montigny.

NA ZIJN OVERLIJDEN

Een jaar na zijn overlijden had in de Leiehoeve te Zulte een herinneringstentoonstelling plaats. In 1972 werd in Deinze een ‘Gaston-Martens Festival’ gehouden met toneelopvoeringen, een tentoonstelling in het Museum voor Schone Kunsten en de onthulling van een gedenkplaat aan het gemeentehuis van Zulte (gift Rotary). Deze gedenkplaat werd sinds meerdere jaren verplaatst naar het kerkplein dat nu ‘Gaston Martensplein’ heet.

De BRT liet zich niet onbetuigd en naar aanleiding van de tiende verjaardag van Martens’ overlijden werd ‘Het gouden jubelfeest’ op tv vertoond met Romain De Coninck in de hoofdrol.

Vanaf 1980 stond de figuur van Gaston Martens gedurende enkele jaren in de actualiteit door de televisieserie ‘De Paradijsvogels’, in een bewerking van de verdienstelijke schrijver Mark De Bie uit Baardegem, met in totaal 38 afleveringen.

GASTON MARTENSJAAR 1983

202 firtel 1983De honderdste geboorteverjaardag van de verdienstelijke toneelschrijver werd in Zulte uitbundig gevierd. Het feestjaar 1983 kende zijn hoogtepunt tijdens de ‘Gaston Martens Feestweek’. Op vrijdagavond 29 april luidden de klokken over Zulte en werden op twaalf plaatsen in de gemeente kanonschoten gelost. Nog dezelfde avond werd een tentoonstelling geopend waarbij André Demedts de figuur van Gaston Martens belichtte. Daarna had in de circustent ‘Paradijsvogels’ een diamontage plaats over het leven en het werk van de schrijver.

Zaterdagnamiddag 30 april werd de Gaston Martens wandelroute geopend en werd de Gaston Martensmars in première uitgevoerd door St. Cecilia, de harmonie die Martens ooit stichtte. In aanwezigheid van zowat tweehonderd Martens-familieleden werd aan ‘Villa Vogelenzang’ een gedenkplaat onthuld. Langsheen het parcours was er allerhande volkse animatie. ’s Avonds was er in de circustent optreden van de groep ’t Klakske, met hulde aan champetter-acteur Werther Van der Sarren.

De hoogdag van de feesten was zondag 1 mei, onder het motto: ‘Zo leeft Zulte’. Dan kon men kennis maken met de echte paradijsvogels, want Zulte stond in rep en roer. Dan kwamen de Zultenaars op straat op een wijze zoals Martens het zelf zou gewild hebben. ‘s Morgens raakte de kerk barstensvol voor de hoogmis ter nagedachtenis van Gaston Martens. Tijdens de offergang werden gedachtenisprentjes uitgedeeld en aan de kerdeur hadden, zoals in lang vervlogen tijden, schooiers postgevat. Na de kerkdienst, terwijl de kermis reeds op volle toeren draaide, had een geitenkeuring plaats en toerde een oud kermisorgel door het dorp.

Zulte anno 1920 herleefde pas volledig na de middag. Men kon oude landbouwtractoren bewonderen. Een smid, een koordenvlechter en vlassers demonstreerden hun activiteiten. Er was een smijtkot, men kon wafels en pannenkoeken eten en slijtpap smullen. Borrels drinken bij de vrouwen van de zondagsschool, ovenkoeken kopen bij een mobiele bakker en ‘In den bonten Os’ waren lekkere worsten te krijgen.

Heel wat verenigingen trokken van herberg naar herberg in oude klederdracht. Er was overal muziek en dans. Daarvoor zorgden een volkszanger uit Grobbendonk, accordeonspelers, orgeldraaiers en een volksdansgroep. Er was een ballonverkoper, een scharesliep en er waren schooiers en kwezels, Bolle Verbuycks, Leentjes uit ’t Hemelrijk, kosters en burgemeesters. Men verplaatste zich met automobiels, per koets of te voet, en de ‘Flandriens’ deden het per fiets. De Martens-familie was alom tegenwoordig en feestte mee. In vele herbergen, die alle barstensvol zaten, viel wel iets te beleven. Intussen oogstte ‘Klaverke Vier’ bijval in de zaal Rembrandt, van dan af omgedoopt in Gaston Martenszaal, met de éénakter ‘Fietje Pot kiest een man’. In de barstensvolle circustent werden twee voorstellingen gegeven waarin Zultse gelegenheidskunstenmakers een groot aandeel hadden.

Een hoogdag om nooit te vergeten. Zelfs de regen kon de geestdrift niet afremmen. De dag nadien was er nog een toneelvoorstelling en kon de Zultse jeugd gratis op de ‘carrousel’.

Vele toneelverenigingen programmeerden in het feestjaar 1983 een stuk van Martens. In Waregem werd ‘Paradijsvogels’ opgevoerd. In Olsene speelden ze ‘De blijde begraving van Klakke Verdoest’. Latem zette ook ‘Paradijsvogels’ op de affiche en kwam ermee op tweede kerstdag naar Zulte om het feestjaar toneelspelend af te sluiten.